GESCHIEDENIS VAN MELDERT

Overgenomen en vertaald uit het “REGISTRUM ARCHIVALE PAROCHIAE de MELDERT” van EH Adolphe GIOT, pastoor in 1898, door Louis VRANCKX.

Zonder twijfel behoorde het grondgebied van MELDERT in de tijd van de Romeinse overheersing aan de volksstam van de AMBIVARITEN. Zij behoorden tot de volksgroep van de NERVIËRS en bewoonden het land tussen Demer, Maas en Schelde wat ongeveer overeenkomt met de huidige Kempen.
De Romeinse sieraden en gebruiksvoorwerpen, die tijdens opgravingen in Viversel, Donk, Beringen en nog andere plaatsen werden gevonden, getuigen genoegzaam dat ons grondgebied destijds door de Romeinen bewoond is geweest. En zelfs als de Romeinse legers niet tot hier zijn doorgedrongen, is MELDERT en omgeving bewoond geweest door volksstammen, die de Romeinse wetten, zeden en gebruiken hadden aangenomen zoals de TUNGRI en de TEXUANDRI. Overigens werden omstreeks 1850 langs de oude baan van Zelem naar Tessenderlo talrijke lijkvaten of urnen ontdekt, waarin zich verbrijzelde mensenbeenderen bevonden, die nog duidelijke sporen van verbranding vertoonden. Dit was de gewone manier van begraven bij de Romeinen. Na de verovering van onze streken door de Franken verdween dit gebruik.

In het begin van de 3de eeuw n.Chr. hadden zich enkele Frankische volksstammen neergezet aan de Ijzel. Van daar uit zakten zij allengs af naar het Zuiden en vestigden zich zelfs, nog onder het bewind van de Romeinse keizer Constantinus Chlovus, in TAXANDRIA. Naar de naam van hun afkomst, de Ijzel (in het Latijn Sala of Isala), werden zij SAAL-FRANKEN genoemd.
Veel geschiedschrijvers houden dit TAXANDRIA voor het gebied van de hedendaagse Kempen. Men zoekt daarvan o.a. een bewijs in de naam van het huidige Tessenderlo, wat betekent “ Taxandriae Locus”.
Als tegen het einde van de 4de eeuw n.Chr. de Romeinen onze gewesten verlieten, werd gans de streek ingenomen door de Saal-Franken. Zelem dat vroeger “Saelheim” werd geschreven betekent niets anders dan “ verblijf van de Saliërs”.
Na de dood van keizer KAREL de Grote in 814 (3) verviel het grote Frankische Rijk (4), dat in onze gewesten zijn oorsprong vond, in stukken en brokken. Het Rijk werd verdeeld onder zijn nakomelingen. Zij stonden gronden af aan de krijgsheren en edelen, als beloning voor hun diensten. Deze gronden kregen de naam “LENEN”. Deze machtige leenheren bouwden voor zich en hun familie burchten en kastelen; zij kregen steeds meer invloed en werden van landvoogden tot eigenaars. Hun adellijke titels met het bijhorende grondgebied lieten zij over aan hun nakomelingen. Deze werden uiteindelijk erfelijke bezitters van de lenen.
Zo verbrokkelde langzamerhand het grote rijk van de Franken in een reeks van kleine staten, waaruit o.a. het graafschap LOON en de HEERLIJKHEID MELDERT zijn ontstaan.

 

De afstammelingen van SALEGHART, een van de vier opstellers van de Salische Wet, hebben ongetwijfeld geruime tijd in ZELEM gewoond. Volgens de historici Courtjoie en Dirickx droeg deze plaats reeds in 650 de titel “graafschap” Ook MELDERT maakte daar lange tijd deel van uit. Het is pas in 1365 dat ons dorp als aparte heerlijkheid werd aangeduid.
Het is ook waarschijnlijk dat MELDERT, omwille van deze scheiding, de pastoors van Zelem schadeloos moesten stellen. Hun werd 1/3 van de tienden toegekend; een recht dat zij tot aan de Franse revolutie bleven behouden.
Volgens een charter van 1146, opgesteld door Hendrik II, werd het grondgebied van MELDERT door gravin Oda, de vrouw van Otto, graaf van Duras, geschonken aan de abdij van Sint-Truiden.
In 1227 veroverden de graven van Loon het gebied rond MELDERT. Zij hadden dikwijls moeilijkheden met de abten van Sint-Truiden en hun legers rukten verschillende malen binnen in de bezittingen van de abdij.

Nota: Sint-Truiden en omstreken behoorde toe gedeeltelijk aan de bisschop van Metz en gedeeltelijk aan de abdij zelf. In 1227 schonk de Prins-Bisschop van Luik het land van Hastière aan de bisschop van Metz in ruil voor de andere helft van Sint-Truiden, waardoor de abdij het ganse gebied beheerde.

Door de versnippering van het Frankische Rijk werd het grondgebied van MELDERT, evenals enkele omliggende plaatsen, geschonken aan een of andere krijgsheer, als beloning voor zijn bewezen diensten. Deze heren baatten de zwakheid van de regerende vorsten uit om het bezit van hun leengoed te verzekeren door het erfelijk te maken. De heerlijkheid MELDERT werd door de edele leenheer van Kuringen weggegeven.
De adellijke families, die achtereenvolgens de heerlijkheid MELDERT in hun bezit hadden, bezaten uitgebreide rechten op de inwoners van MELDERT.
Deze bestonden hoofdzakelijk uit:

het recht van een “pondpenning” of overdracht op de vaste goederen en renten; dit recht bevatte de ban, het opgeld en de registratie

het recht van “grondcijns” of belasting op onroerende goederen

het recht tot aanstellen van de “justitie”; die bestond uit een officier (drossaard; zeven schepenen; een griffier en een gerechtsdienaar

het recht van “beplanting” op de gemeentevelden en heiden;

het recht van vrije “visvangst” op de Aelst of Zwarte Beek;

het recht op een “collatie “ van de pastorij.

In het vorige hoofdstuk kon U lezen dat de leenheer van KURINGEN een deel van zijn gebied – de streek rond MELDERT – wegschonk en er een aparte heerlijkheid van maakte. Sinds 1365 werd de heerlijkheid bestuurd door edele lieden, die wij “ De Heren van Meldert” noemen. Zij woonden evenwel niet steeds in de heerlijkheid MELDERT en soms deelden meerdere edelen het bezit ervan..

JAN VAN LAETHEM – 1365

De eerste heer van MELDERT, waarvan de registers van de leenzaal (beheerder van de lenen) van KURINGEN gewag maken, was JAN VAN LAETHEM. Op 17 april 1365 stond WILLEM VAN LOEBOSCH zijn aandeel, dat hij in de heerlijkheid MELDERT had, af aan JAN VAN LAETHEM. Op 14 mei 1365 kwam de andere helft van de heerlijkheid in zijn bezit door het overlijden van ARNOLD VAN LOEBOSCH, die de broer was van JAN’s echtgenote, BEATRIX. Het leengoed bestond hoofdzakelijk uit het kasteel, de molen, zaailanden, weiden en bossen.
Het kasteel waarvan sprake moet gestaan hebben op het veld, dat de naam “Vest” draagt. Vroeger heette die plaats “ oude vest” of “vieux fort de Meldert”. Het kasteel moet een echte vesting zijn geweest, opgericht om zich tegen de vijand te beschermen. Het bestond uit dikke torens, die door gebouwen, van schietgaten voorzien, verbonden waren. Binnen deze muren had het kasteel verscheidene open plaatsen. Midden op de binnenplaats stond een hogere toren, “belfort” geheten. In deze toren hing de alarmklok, die in geval van nood geluid werd om de mensen uit de omgeving te waarschuwen en in het slot te doen vluchten.
De burgeroorlogen, die plaatsvonden onder het bewind van de pausgezinde Prins-Bisschop van LUIK, LODEWIJK VAN BOURBON (5), brachten dikwijls schermutselingen mee op de grens met het Hertogdom BRABANT. En het is mogelijk dat deze gevechten ook bijgedragen hebben aan de vernieling van het kasteel.

 

FASTRARD VAN BOMMERSHOVEN – 1367

Nauwelijks twee jaren later verkocht de familie VAN LAETHEM naar rechten de heerlijkheid MELDERT aan FASTRARD VAN BOMMERSHOVEN. Hij was een man van hoog aanzien en was voorheen ontvanger en later leenzaal van het graafschap LOON.

GERARD VAN DEN EDELBAMPT – 1400

In 1390 was deze edelman gehuwd met MECHTILDA VAN HERTEN, dochter van FASTRARD. Op deze wijze erfde hij de helft van de heerlijkheid MELDERT, bij de dood van zijn voorganger in 1400. Het overige deel van de heerlijkheid werd afgestaan door verschillende bezitters: RICHARD VAN EGGERTINGEN; HENDRIK VAN MILLEN en HERMAN VAN PALUDE, echtgenoot van de dochter van JAN VAN EGGERTINGEN. Op deze wijze kwam de heerlijkheid MELDERT in het bezit van één leenheer.
GERARD VAN DEN EDELBAMPT overleed op 14 juli 1439 en werd, evenals zijn vrouw, in de kerk van HERTEN begraven. Hun grafsteen is er tot op heden bewaard gebleven.

JAN VAN DEN EDELBAMPT – 1439

JAN VAN DEN EDELBAMPT, alias VAN HERTEN, volgde zijn vader GERARD op in het bezit van de heerlijkheid MELDERT.
Dat JAN de zoon van GERARD was valt te betwijfelen. Op 10 januari 1439 wordt de akte die de overdracht van de heerlijkheid regelt, verheven door zowel JAN VAN DEN EDELBAMPT alias VAN HERTEN, als door JAN VAN DEN EDELBAMPT, kanunnik van LOON. In een akte van 1494 is dan weer te lezen dat JAN VAN HERTEN en niet GERARD VAN DEN EDELBAMPT de vader is van JAN VAN DEN EDELBAMPT. Tussen beide heren is er geruime tijd ruzie geweest omtrent het bezit van de heerlijkheid. Na dat er vrede was gesloten, werd als volgt beslist:
“ Johan van Herten natuurlick canonick tot Loen heeft ontfangen in het jaar 1494 in de maand van meert den ………, overmits opdragenisse en verleyenisse heere Johans van Meldert ende dat dorp met allen zijnen toebehoorden in handen Johans van cortenbosch als stadthelder, ende dat in behoeve heere Johans van Herten natuurlick zoens vaers; zijn leven lanck ende da van hulde zijde gedaan heeft ende versterven zal op Reyner van Scuylen den jongen ende offt die alsdan neyt meer leefde te vallen op Johan van Scuylen ende so op den eynen of den anderen die te leven blijft……. ( Rijksarchief Hasselt)
Het is overigens onder JAN VAN HERTEN, kanunnik van Loon, dat er voor het eerst gewag wordt gemaakt van een kerk in MELDERT.

FAMILIE HULSBERG alias SCALAEN – 1499

Na de dood van JAN VAN DEN EDELBAMPT werd de heerlijkheid MELDERT verdeeld en verworven door zijn twee neven, LIBERT en JOHAN VAN HULSBERG.
LIBERT stierf in 1530 en na zijn dood deed zijn weduwe, MATHILDA VAN AMSTELRADE, op haar beurt afstand van haar deel.
Na de dood van JAN VAN HULSBERG in 1534 stonden zijn weduwe, JOHANNA BERWOUT en haar oudste zoon, RENIER, hun rechten op de heerlijkheid MELDERT af aan AARNOLD ( of AARD) de tweede zoon, die uit dat huwelijk sproot.
AARNOLD VAN HULSBERG trad in het huwelijk met CLARA VAN LUXBONNE en stierf in 1543.

JAN VAN LIER - 1543

CLARA VAN LUXBONNE hertrouwde met JAN VAN LIER, die op deze wijze bezit nam van de heerlijkheid MELDERT. Hij was een groot edelman, doch woest en wreed van inborst en gevreesd door zijn onderdanen. In 1545 liet hij op de hoogte van de Lange Heide een man radbraken, die door onvoorzichtigheid iemand gedood had.
In 1566 werd tussen hem en de gemeente een verdrag gesloten teneinde het overlopen van de Zwarte Beek in de KWAGEN aan te pakken. Er werd beslist om langs de straat een vloedgracht te maken om het water af te leiden. Deze vloedgracht bestaat nu nog en verhindert het overstromen van de laaggelegen beemden in de KWAGEN.
MELDERT had in die tijd weer erg veel te lijden. De inwoners waren niet alleen verplicht talrijke vreemde ruiters te herbergen, maar moesten ook grote sommen geld betalen en allerlei plagerijen ondergaan.
JAN VAN LIER was ook “meier” van ZICHEM en vond daar een treurig einde. Nadat hij het stadje stormenderhand had ingenomen, liet de hertog van PARMA in 1578 JAN VAN LIER aan een venster van het slot ophangen.

JAN VAN HULSBERG - 1578

Na de dood van JAN VAN LIER nam JAN VAN HULSBERG bezit van de heerlijkheid MELDERT. Zijn voorganger en diens echtgenote, CLARA VAN LUXBONNE, voordien huisvrouw van de overleden AARD VAN SCALAEN, hadden reeds vier jaren vroeger deze JAN VAN HULSBERG als hun nakomeling aangeduid.
In 1578 en 1579 bouwden de inwoners van MELDERT een pesthuis langs de oude baan, nabij de Zwarte Beek. Deze verschrikkelijke ziekte werd in 1587 en 1588 gevolgd door een periode van grote hongersnood. De mensen stierven van honger zomaar langs de straat…
Op 8 mei 1598 werd tussen Frankrijk en Spanje een vredesverdrag gesloten. Onze streken werden overspoeld door tuchteloze krijgsbenden. In 1600 berokkenden de soldaten van aartshertog ALBRECHT veel last en joegen de inwoners op grote kosten. Zo moesten ondermeer 28 vrachten hooi en stro en 155 “halsters” haver geleverd worden. Deze muiters bleven tot 1607 in de streek van DIEST en persten de inwoners van de omliggende dorpen grote sommen geld af.
Ondertussen had JAN VAN HULSBERG een deel van de heerlijkheid verkocht aan de familie de TOLLET en aan EDMOND VAN VOORT, heer van VOORT. De overige 3/7de werden door RICKHALD VAN HULSBERG verkocht aan de leenzaal van KURINGEN.
EDMOND VAN VOORT was stadhouder van het graafschap LOON en ridder van JERUSALEM. Hij overleed in 1606 en werd, evenals zijn echtgenote, begraven in de kerk van HENDRIKEN (Voort), waar zijn grafsteen ook nu nog te zien is.

RICKHALD VAN VOORT - 1606

EDMOND VAN VOORT liet vijf kinderen na: DRAAD, EVERAARD, RICKHALD, KOENRAAD en JOHANNA. EVERAARD kreeg naar Loons recht de heerlijkheid VOORT toegewezen, de anderen bekwamen de 2/7de van de heerlijkheid MELDERT, die zij onverdeeld bleven bezitten.
Jonkheer RICKHALD huwde in 1612 ANNA VAN VOOCHT, dochter van ridder NICOLAAS VAN VOOCHT en van ELISABETH VAN RIJKEL. Door aankopen en erfenis, kreeg hij in 1619 ook de aandelen van zijn twee broers en zuster. In 1628 kocht hij ook nog de 2/7de van JAN en JACOB DE TOLLET, zodat hij 4/7 de van de heerlijkheid in zijn bezit had. RICKHALD VAN VOORT was niet enkel heer van MELDERT, maar ook nog heer van RULLINGEN.
Gedurende het bewind van RICKHALD werd MELDERT weer zwaar beproefd. In 1621 en 1622 krioelde het dorp en de omgeving van de soldaten. In 1623 kwam de verschrikkelijke pest weer terug en tegelijkertijd werd de bevolking geplaagd en geplunderd door voorbijtrekkende troepen, die geld en goederen opeisten in overvloed. Nadat in 1635 LODEWIJK XIII met de Verenigde Provinciën een verbond had gesloten om de Spaanse Nederlanden onder elkaar te verdelen, werd het plunderen en verwoesten door de soldaten zo erg, dat de inwoners van MELDERT verplicht waren schansen of vrijplaatsen op te werpen, waarheen zij met have en goed konden vluchten en zich verdedigen.
De eerste schans werd ingericht in 1640 in GEENRODE, op het goed dat thans aan de familie Aerts toebehoort. Enkele jaren later werd een tweede schans ingericht op het uiteinde van SCHUILENBROEK in de buurt van de oude “pannenwinning.” .
Deze schansen waren omringd door een diepe watergracht, waarover een ophaalbrug toegang gaf tot de “voorschans” waar de portier woonde. Schansen vormden als het ware een eigen gemeenschap, die haar eigen wetten had en die onder het beheer stonden van twee “Schansmeesters” of “gouverneurs”. Om de drie jaren werden zij gekozen door de “SCHANSGEZELLEN” , die rekenschap over hun bestuur moesten geven. ../..

In elk gehucht bestond er ook nog een “rot” of gehuchtmeester. Hij moest de gezellen van het gehucht bevelen in naam van de schansmeesters. Onder de schansgezellen werden een kapitein, officieren, luitenanten, sergeanten en korporaals gekozen, die de nodige bevelen moesten geven in tijden van verdediging. De volstrekte gehoorzaamheid en de tucht werden afgedwongen door zware straffen, die konden opgelegd worden.
De inwoners van het gehucht BLANKLAAR waren aangewezen op de KELBERGSE SCHANS, die reeds bestond in het jaar 1629. Tot in de 19de eeuw werd deze schans nog steeds beheerd door twee schansmeesters, die opbrengsten verdeelden tussen de schansgezellen van KELBERGEN en BLANKLAAR. De laatste schansmeesters waren Jozef MAES en Jozef CEELEN.

ANNA VAN VOOCHT was in 1646 reeds weduwe. Zij liet in dat jaar het kasteel bouwen dat in 1871 afgebroken werd. Haar zoon, JAN CHRISTOFFEL VAN VOORT kocht op 7 januari 1646 de grond van een zekere JAN ’s HERTOGEN, die toen op de schans woonde.
Na het verdrag van 1648 dat werd gesloten tussen SPANJE en de NEDERLANDEN, overspoelde Lorreinse, Kroatische en Spaanse soldaten als echte bandieten onze streken. Zij bezondigde zich aan de grootste buitensporigheden. MELDERT ging gebukt onder de onverzadigbare eisen van deze woestelingen. Daarenboven zorgde ongehoorde belastingen ervoor dat het dorp verviel in zijn meest hachelijke toestand. Behalve het afstaan van talrijke goederen kostte die bendes onze gemeente 1000 gulden. Om daaraan te voldoen moest de gemeente een extra belasting heffen, die elke inwoner 5 gulden en 4 stuivers per bunder land kostte.
De baron van VOGELSANCK bewees ons dorp grote diensten doordat hij de wegen min of meer veilig maakte. In 1650 kwamen diezelfde troepen echter terug en het kostte de gemeente weer honderden guldens en de levering van talrijke goederen om deze bandieten tevreden te stellen. Ondertussen werden een paar boden naar PAAL gestuurd om hulp te vragen. En weldra waanden de dorpsbewoners zich sterk genoeg om de vijanden uit het dorp te verdrijven. Maar daarmee was de miserie niet voorbij:.Ofschoon de bevolking al helemaal uitgebuit was, moest er nog een geldinzameling worden gehouden om te voldoen aan de Luikse belastingen. Bovendien moest de gemeente nog een schuld maken van 1927 gulden. En nochtans bedroeg het geld voor de inwoners 104 gulden per kop; de beestenschatting bracht 387 gulden op. Voor een paard, een os of een koe betaalde men 1 gulden; voor een veulen en een rund de helft en voor een schaap 2 stuivers.
De volgende jaren bleven de stroperijen maar voortduren. De ene bende na de andere viel de reeds verarmde bewoners op de nek. De gemeentekas werd uitgeput tot op de bodem.

Onze slotvoogdes, die in de winter van het jaar 1653 haar intrek had genomen in MELDERT, keerde op het einde van de lente terug naar het adellijke kasteel van RULLINGEN. Zij stierf er op 7 augustus van het jaar 1653.

NIKLAAS VAN VOORDT - 1653

Na de dood van ANNE VAN VOOCHT, kwam het kasteel van MELDERT in handen van haar zoon, NIKLAAS VAN VOORDT.
In 1658 werd in MELDERT een kapelaan aangesteld. Reeds twee jaren vroeger, in 1656, had de landdeken van het concilie van BERINGEN, die toen pastoor van ZELEM was, per testament een jaarlijks bedrag van 100 gulden overgemaakt om in de parochiale kerk van MELDERT een vroegmis te lezen.
( Er bestond dus in die tijd reeds een eenvoudige eenbeukige kerk in MELDERT, maar deze kerk had nog geen toren, zoals we verder zullen lezen. – NVDR)
In 1665 huwde NIKLAAS VAN VOORDT dame Eva, Sybilla, Theresia DE PUYTLINCK, vrouwe van TERBIEST bij Sint Truiden.
Ondertussen had de gemeente MELDERT reeds drie jaren de “fiscaal” van BERINGEN, een ambtenaar van de Aartsdiaken van de KEMPEN, met geschenken weten te paaien, telkens hij er op aandrong de werken voor de bouw van de kerktoren op te starten. In 1666 begonnen een aantal inwoners dan toch met het kappen van stenen in de groeve van KELBERG. Maar helemaal opgebouwd werd de toren echter niet, want 10 jaar later, in 1676 drong de Aartsdiaken van de Kempen er nog steeds op aan om de werken aan de toren af te ronden. Tevergeefs, want er was geen geld: de gemeente zat tot over haar oren in de schulden omdat zij vooral te lijden had van rondtrekkende bendes, die steeds maar geld en goederen opeisten.
In 1672 had LODEWIJK XIV (6) de noordelijke Provincies veroverd, maar hij werd daar spoedig uit verdreven door Spaanse en Duitse troepen.
De schrik voor al deze rondtrekkende krijgsbendes was zo groot, dat de inwoners van MELDERT op alle toegangswegen barricaden oprichtten. Met hun kostbaarste bezittingen vluchtten zij naar DIEST
Helaas, al deze maatregelen konden de Franse troepen niet beletten door het dorp te trekken. In 1675 kwamen zij uit het Noorden naar onze streken afgezakt; maar ook de naderende Spaanse en Duitse soldaten boezemden de dorpelingen veel schrik in. Zij besloten met hun vee en al hun hebben en houden naar DIEST te vluchten. ( Diest was in die periode een versterkte stad met poorten en schansen – LV).
Meer dan een jaar lang werden onze streken en dorpen platgelopen door soldatenbendes van allerlei pluimage. Zij vielen de bevolking lastig en joegen hen op kosten door hen hun onderkomen en proviand te doen betalen
Het volgende jaar was het nog erger: MELDERT werd door de troepen van de Prins van Oranje (7), die in HASSELT gelegerd waren, totaal uitgehongerd. De burgemeester werd in hechtenis genomen, omdat hij de “krijgsbelastingen” niet meer kon betalen. Het belette de Hollanders niet om later in het dorp te komen kamperen… De belastingen stegen tot 5066 gulden en nog was de gemeente verplicht tot tweemaal toe nieuwe leningen aan te gaan.

Niettegenstaande de gemeente een eigen burgerwacht moest huren, om de schansen voor plundering te behoeden, werd zij gedwongen extra manschappen naar HASSELT te sturen om daar wacht te gaan lopen. Daarbij voegde zich nog de overlast voor de kar- en paardendiensten, die moesten instaan voor het vervoer van voedsel en van materiaal voor het herstellen van de vernielde vestingen in HASSELT en MAASTRICHT. Het dagloon voor deze voerlieden bedroeg 100 gulden, geld dat ten laste kwam van de gemeente.
En ondanks al deze miserie en armoede, werden de inwoners verplicht om een vreugdefeest te houden om de overwinning van de christelijke legers op de Turken te vieren. Het spreekt vanzelf dat men hier weinig lust had om vreugdevuren te stoken en de inwoners op enkele vaten bier te trakteren.

De jaren 1677 en 1678 waren al even noodlottig. Jan SNEYERS werd te HASSELT in hechtenis genomen door baron de Mirbach, commandant van het Franse garnizoen aldaar. De Fransen zelf kwamen een onderzoek doen in het dorp om na te gaan waarom de opgeëiste sommen niet betaald werden. Jan AERTS en Peter MARIËN werden als gijzelaars meegenomen en pas later vrij gelaten nadat de gemeente een losgeld van meer dan 1000 gulden had betaald. Daarenboven moesten de inwoners zware belastingen betalen en de gemeentekas werd nog eens 3049 gulden lichter gemaakt.
De rondtrekkende krijgsbendes waren een echte plaag. Zij waren van allerlei slag en nationaliteit, maar eisten steevast hoge sommen geld van de reeds erg geplaagde bevolking. Vooral de Fransen waren de grootste uitbuiters; de gemeente moest opnieuw voor 4000 gulden in hun legering tussen komen.
Na het sluiten van het Verdrag van Nijmegen in 1678 werden de verenigde legers ontbonden en kwam er eindelijk wat rust in onze dorpen. Maar niet voor lang echter: in 1683 moest MELDERT opnieuw manschappen leveren voor een sterke burgerwacht in KURINGEN en TESSENDERLO.

Ondertussen werd de pastorij van MELDERT, die helemaal vervallen was, hersteld en ook aan de kerk werden herstellingen uitgevoerd.
De Aartsdeken van de KEMPEN begon ook opnieuw brieven te schrijven, waarin hij aandrong op het voltooien van de kerktoren. Maar de gemeente was nog te arm, om deze kosten nu al te dragen en het is pas in 1715, vijftig jaar nadat men met de werken begonnen was, dat de spits op de toren kon gezet worden.

De kostelijke rechtszaak, die in 1663 aangespannen was door de inwoners van MELDERT tegen hun heer, NIKLAAS VAN VOORDT, werd in 1687 beslecht. De inwoners betwistten daarin een aantal voorrechten, die zij hun heer niet gunden. Na de uitspraak verkregen de inwoners dat “ zij niet meer ter molen zouden gebannen zijn”. Het recht van de banmolen verleende aan de heer van MELDERT het monopolie over het malen van het graan, waarvan hij het loon willekeurig kon vaststellen. Door deze beslissing verloor de heer aldus een grote kans om munt te slaan uit het malen.

Op 28 april 1690 overleed te MELDERT de echtgenote van NIKLAAS VAN VOORDT; hij zelf stierf nog geen maand later op 22 mei 1690. Zij werden samen aan de voet van het hoofdaltaar in de kerk begraven. Hun grafsteen waarop niet minder dan tien kwartieren ( familiewapens – LV) zijn gebeiteld, wordt nog steeds in onze kerk bewaard.

RICKHALD, THEODOOR, ERNEST VAN VOORDT- 1690

Hij volgde zijn vader op als Heer van MELDERT. Zijn ouders maakten door testament een jaarlijkse rente van 40 gulden over als verhoging van de onderhoudskosten voor de kapelaan.

De aanhoudende oorlogen, waaronder MELDERT onder RICKHALD’s korte bewind, te lijden had, waren nefast voor de landbouw. In 1677 woonden er 74 landbouwers in MELDERT, die samen 61 paarden, 224 koeien, 91 runderen, 20 ossen, 10 veulens en 136 schapen hadden. In 1693, daarentegen, bestonden er in MELDERT nog maar 65 bewoonde huizen. In 1694 telde men nog slechts 41 paarden en het volgend jaar was dat getal geslonken tot 33 dieren.
Reeds in 1690 begonnen de vreemde troepen weer te verschijnen in onze streken.Zij eisten allerlei leveringen van de gemeente en de bevolking. Burgemeester Hendrik VAN EYNDE werd zelfs gevangen gezet omdat hij aan de ongebreidelde eisen van troepen van de Prins-Bisschop niet kon voldoen.

Wat MELDERT en de ganse KEMPEN gedurende vele jaren onder het oorlogsgeweld te lijden hadden is onbeschrijfelijk. Geen maand, geen week, haast geen dag ging voorbij zonder dat de gemeente en de bevolking geplunderd werd door soldaten uit alle landen van Europa.

RICKHALD, THEODOOR, ERNST VAN VOORT bleef niet lang in het bezit van de heerlijkheid MELDERT. In 1712 trad hij als religieuze binnen in het vermaarde klooster van Sint Geertrudenberg in LEUVEN.
RICKHALD schonk ook, per testament verleden op 13 februari 1712, twaalf edelstenen aan de kerk van MELDERT om er een nieuwe monstrans mee te kopen, waarvoor hij vroeger reeds een stuk zilver had gegeven.

WILLEM, ERNEST de l’ARDENOY de VILLE - 1712

Deze ontving het bestuur over de heerlijkheid MELDERT uit handen van RICKHALD VAN VOORDT. Hij was heer van VILLE en POCHERESSE, twee heerlijkheden in Lorreinen en was gehuwd met Maria-Theresia VAN VOORDT.
De nieuwe Heer van MELDERT werd aangenomen als ridder bij de edele leenzaal van KURINGEN. Onder zijn wijs bestuur werden de inwoners van Meldert verlost van het vreemde krijgsvolk. Het verdrag van 1713 en het “ Barelentraktaat”, dat er twee jaar later op volgde, zorgde eindelijk voor wat rust en vrede in het rampzalige vaderland.

De inwoners van MELDERT maakten van de gelegenheid gebruik om een aantal werken, die reeds lang gepland waren, te voltooien. Inwoners van MELDERT gingen in 1714 helpen in LINKHOUT bij de aanleg van de wateringen. Nog in 1714 herstelde men het gewelf van de kerk en bouwde men een muur rond het kerkhof, dat toen nog rond de kerk lag. Het volgend jaar, in 1715, werd eindelijk de kerktoren afgewerkt. Het houtwerk, door een torenmaker uit HOUTHALEN uitgevoerd, kostte ruim 800 gulden. Voor de haan, die in DIEST gesmeed werd, moest 14 gulden betaald worden en de smid van LUMMEN eiste voor het vervaardigen van het kruis liefst 84,5 gulden. Toen het kruis op de toren werd geplaatst, leidde dit tot een algemene vreugdebetoging van de bevolking..

Nu de toren er eindelijk stond, was het de beurt aan het oude, versleten kerkje. Reeds in de volgende lente haalde men in MAASTRICHT 78 karren bikken om de muren te vernieuwen.

In 1721 liet men een nieuwe klok gieten en nog eens vier jaren later werd een gans nieuwe zijbeuk gebouwd.Ook de school en de pastorij werden hersteld en men ging zelfs de buurtwegen verbeteren.

Maar ook nu werden de inwoners niet gespaard van tegenslagen. Maar deze kleine en tijdelijke ongemakken konden niet opwegen tegen de onheilsjaren van de oorlogen.. In 1716 werd de bijna de ganse oogst vernield door een hevige hagelstorm. In 1724 bevroor het koren op het veld en in 1732 heerste er een zeer besmettelijke ziekte onder het hoornvee en de paarden. Op vraag van de burgemeester beloofde de pastoor van MELDERT een algemene bedevaart naar SCHERPENHEUVEL, om het einde van deze plaag af te smeken.
Ook de rupsen waren een echte plaag en zozeer verspreid in onze streken dat de Prins-Bisschop van LUIK het nodig achtte via aanplakbrieven de bewoners aan te zetten de poppen van deze rupsen te vernietigen. Zijn commissaris doorliep zelfs de dorpen om na te gaan of de bevolking dit bevel wel uitvoerde. Nalatigen werden alleszins gestraft.

WILLEM –ERNEST de l’ARDENOY de VILLE stierf op 31 januari 1733. Hij werd samen met zijn vrouw, die reeds drie jaren eerder gestorven was, begraven in de kerk van MELDERT.

KAREL – ANTOON – THEODOOR de l’ ARDENNOY de VILLE – 1733

Karel-Antoon-Theodoor de l’ ARDENNOY de VILLE was één van de vier kinderen van Willem-Ernest; hij erfde de heerlijkheid van MELDERT, waarvan hij in 1733 voor de edele leenzaal van KURINGEN de akte ondertekende.
In de XVIIIde eeuw liepen in onze streken veel wolven rond en ook het dorp MELDERT werd er door geplaagd. Op bevel van de Prins-Bisschop van LUIK werd, binnen de jurisdictie van de heerlijkheid MELDERT, in 1735 een klopjacht georganiseerd. Deze algemene jacht duurde drie dagen en had als doel de streek de zuiveren van de wolven. Want deze roofdieren vermenigvuldigde zich sterk: in 1709 telde men 18 dieren, maar in 1711 waren er dat reeds 26! Eén van de inwoners, Jan ’s HERTOGEN, kon tijdens die jacht vijf dieren vangen. In 1740 werden zelfs heel wat kadavers bijeengebracht, die in de streek rond AVERBODE, TESSENDERLO, WEBBEKOM, SCHAFFEN en LINKHOUT gedood werden. Er hing immers een beloning vast aan het vangen of neerschieten van een wolf.
In de maand juli 1736 werd de oogst getroffen door een hevige hagelstorm en tussen 1741 en 1745 en ook nog in 1748 heerste er weer een besmettelijke ziekte onder het hoornvee en de paarden.
Maar, vanaf 1742 begonnen er nog andere ongelukkige tijden voor ons land. De Verenigde Provincies behoorden destijds grotendeels toe aan het huis van OOSTENRIJK. Na de dood van KAREL VI werd zijn jeugdige en onervaren dochter, MARIA-THERESIA landvoogdes. De Franse koningen wilden zich van de Staten meester maken, maar ENGELAND en HOLLAND snelden ons te hulp. Helaas, het Franse leger behaalde een klinkende overwinning in de slag van FONTENOY in 1745. Gedurende drie jaren zullen de Fransen een waar schrikbewind voeren in onze provincies. Wat ons dorp daarbij te lijden kreeg is onnoembaar erg. De belastingen werden verdubbeld, zodat de gemeente genoodzaakt werd om 4000 gulden te gaan lenen bij een zekere mijnheer STAPPERS in SINT TRUIDEN. En in 1750 moest er nog eens een som geld geleend worden. De uitgaven voor het legeren van de buitenlandse troepen bedroeg alleen in het jaar 1746 al 7000 gulden. Op alle mogelijke manieren werden de inwoners geplaagd, hun bezittingen vernield of gestolen. De soldaten ontzagen niets: zij vernielden de oogst; verbrandden het hooi en het stro; doodden de bijen, braken huizen af, kapten bomen en schonden de kapel van de Hl Wilibrordus. Ook de pastorij en de hoeve werden beschadigd en het vee meegenomen.
In 1748 stonden er nog slechts 71 huizen in het dorp MELDERT. Gelukkig werd in dat jaar de vrede van AKEN ondertekend, zodat rust en vrede kwam over onze streken, nog steeds onder het bewind van Maria-Theresia van OOSYTENRIJK.
Maar nauwelijks waren de naweeën van de oorlog vergeten, of er ontstond een andere langdurige twist tussen de heer van MELDERT en de gemeente. Hebzucht en overmoed van de ene; vrijheidsliefde en haat tegen de verdrukking van de andere, gaven aanleiding tot jarenlange moeilijkheden, waarbij hoge gerechtskosten dienden betaald te worden. Pas op 25 februari 1756 kon door een overeenkomst voor de edele leenzaal van KURINGEN de zaak geregeld worden.
Karel-Antoon-Theodoor de l’ARDENNOY de VILLE stierf op 15 juli 1766 en werd begraven op het koor van de kerk van MELDERT.

MARTEN – JOZEF ARRAZOLA d’ ONATE - 1766

In 1765 maakte Karel-Antoon de l’ ARDENNOY de VILLE de heerlijkheid MELDERT over aan zijn dochter, Maria-Elisabeth, met eigenhandig geschreven testament, dat men echter slechts na zijn dood heeft gevonden. Op 9 april 1765 was Maria-Elisabeth gehuwd met Marten – Jozef ARRAZOLA d’ ONATE en daarom droeg haar vader de heerlijkheid over ter gelegenheid van dit huwelijk. Op 22 juli 1766 ondertekende MAARTEN – JOZEF de overdracht voor de edele leenzaal van KURINGEN.
Na de dood van Maria-Theresia van OOSTENRIJK, werd ons land bestuurd door de hatelijke dweper, JOZEF II. Er volgde een lange sliert van onlusten: de Brabantse omwenteling; het Franse schrikbewind en de dwingelandij van Napoleon.

Marten – Jozef ARRAZOLA d’ ONATE was de laatste heer van MELDERT.
Onder zijn bestuur werd ons land een wingewest van de Franse Republiek. De privilegies van de adel werden afgeschaft en er kwam voor goed een einde aan het feodale tijdperk.

De familie ARRAZOLA d’ ONATE bleef nog lange tijd wonen in MELDERT, zoals we verder zullen zien. Tot op heden wonen nog nazaten in onze streek.

 

 

De familie ARRAZOLA D’ ONATE stamt uit Spanje en had vroeger een zeer hoog aanzien. Vele familieleden bekleden nog steeds hoge rangen in onze maatschappij.
MARTEN – JOZEF (zie Hfst 5 –deel 7) was een Brusselaar, die zijn studies afsloot aan de Universiteit van LEUVEN als Licenciaat in de rechten. Hij overleed in het adellijke kasteel te MELDERT en volgde zijn echtgenote in het graf op 12 april 1812. Zij lieten 10 kinderen na.
Eén van hen, KAREL-ANTOON-THEODOOR huwde op 26 december 1797 zijn nicht , Balthazar – Johanna – Regina VAN DEN BERGHE de LIMMINGHE. Uit hun huwelijk sproten 7 kinderen.
Hun tweede kind, FERDINAND – JOZEF, in leven ontvanger van de gemeente MELDERT, trouwde de eerste keer met Maria – Gertrudis – Antonia MICHIELS en in een tweede huwelijk met Maria – Regina SCHRAEYERS.
Het derde kind, hun dochter, Maria – Josephina, huwde de eerste maal met Pieter – Lambert- Balthazar PAEMEN. Diens zoon, Karel – Gaspar – Marie PAEMEN, was eerst onderwijzer en later burgemeester van MELDERT. In een tweede huwelijk koos Maria – Josephina voor een man uit Meldert, Gerard PEUTERS.
De laatste zoon, Karel – Jozef – Alexander, was eerst getrouwd met Carolien VOLDERS en later met Carolien AERTS.

KAREL- ANTOON – THEODOOR ARRAZOLA d’ONATE, die “meyer” van MELDERT was, stierf op 23 februari 1816.
Zijn broer, ROBERT – FRANS – JOZEF, die ook het ambt van “meyer” bekleedde, stierf twee jaren vroeger op 6 februari 1814.
Hun zuster, Alexandrina – Fransisca trouwde in 1806 met Frans-Kristof de WIJDENBRUCK, een ontvanger van de douanen in PAAL.
De laatste zoon, baron Johannes – Nepomucemus ARRAZOLA d’ ONATE, oud –burgemeester, ridder van de Orde van het Equester en lid van de Nederlandse Staten-Generaal, trad in 1819 in het huwelijk met Maria-Elisabeth AERTS en liet vier kinderen na:
1. Maria, Elisabeth, Theresia;
2. baron Jan, Hendrik, Frans, secretaris van de gemeente,
3. jonkheer Balthazar, Aurelius, Augustinus, Wilhelmus, burgemeester van Meldert (einde 19de eeuw), gehuwd met Amelia PORTERS;
4. Joanna, Catherina, Wilhelmina, die in ANTWERPEN woonde.

 

 

JOZEF II (8), opvolger van Maria-Theresia van OOSTENRIJK, maakte zich door zijn nieuwe principes en vele hervormingen, zowel op politiek als op godsdienstig vlak, uiterst gehaat bij de Belgen. Het duurde dan ook niet lang of de opstand brak los. Aan het hoofd van de opstandelingen stonden VONCK en VANDERNOOT.
Ook in MELDERT verfoeide men de Oostenrijkse dwingeland en talrijke jongelingen uit ons dorp schaarden zich achter het vaandel van de “VADERLANDSEN”. Op 25 oktober 1789 versloegen deze strijders het Oostenrijkse leger in TURNHOUT.
Maar de smaak van de overwinning bleek bitter: VONCK en VANDERNOOT maakten ruzie onder elkaar en de eensgezindheid onder de opstandelingen was zoek. De opvolger van JOZEF II, keizer LEOPOLD, had weinig moeite om de opstandelingen te bedwingen en het land weer onder Oostenrijks bewind te brengen.

 

In de veldslag van JEMAPPES versloeg het Franse leger, onder bevel van generaal DUMOURIEZ, het Oostenrijks leger en kwam ons land in de macht van de Franse koningen. Maar de Oostenrijkers gaven zich niet gewonnen. Zij zochten hulp bij hun bondgenoten en versloegen het Franse leger op zijn beurt in het gevecht bij NEERWINDEN. Aartshertog KAREL I werd als landvoogd aangesteld en het Oostenrijkse gezag werd in het ganse land hersteld.
Ongelukkig genoeg duurde deze toestand niet lang. Want na de veldslag bij FLEURUS in 1794 vielen onze contreien opnieuw en nu voor goed onder het tirannieke bewind van de Franse Revolutie.
Het is ons genoeg bekend welke toestanden en onrust er toen in heel ons land heerste. En ook in MELDERT ging het niet beter dan elders. Ongehoorde lasten werden aan de inwoners opgelegd, alles wat draagbaar of vervoerbaar was werd geroofd of onder doodsbedreigingen afgeperst van de verbouwereerde bewoners. Negen jaar lang zou deze verschrikking duren en wat onze landgenoten in die tijd te lijden hadden, tart elke verbeelding..

De Republikeinen lieten ons land in een staat van volkomen bewindsloosheid, om het op deze manier beter onder de knoet te houden. De vroegere magistraten, drossaards, schansleden, schepenen en secretarissen werden afgezet en de aloude staatinrichtingen werden ontbonden. Het land werd ingedeeld in enkele grote departementen en 26 arrondissementen. MELDERT behoorde tot het 14de arrondissement, waarvan BERINGEN de “lieu central” was. Tot dit arrondissement behoorden de plaatsen (let op de verbastering door de Fransen!): BERINGHEN; EXELAER; LINGVEN; HEPPEN, MECHELEN; OOSTHAM, EENERT, CORPSEL, BEVERLOO, VERTHEN, BAEL, SCHOOT, HALS, GERHAGEN, TESSENDERLOO, MELBERGH, SCHONNEE, HENGHSBERGEN, HUFFELKEN, PAEL, SCHEULLEBROOK, HAL, NIJLSHOOCK, HEUSDEN, EVERSEL, VIERDEREEL, BOLDERBERG, LILO, DEVOORT, DEN HOEK, SOLDER, BIEST, VOGELSANG, LAECK, HOUTHAELEN, HOUVERHEIDE en MELDERT.

De inwoners van MELDERT sloeg de schrik om het hart als zij prinsen, graven, baronnen, bisschoppen, priesters, kloosterlingen en prelaten zagen vluchten. Zij gingen zich op hun beurt verschuilen in de bossen met al hun hebben en houden. Sommigen vluchtten nog verder weg om aan de roofzucht van de Republikeinen te ontsnappen. Helaas, niemand kon aan deze woestelingen ontsnappen.
Ontelbaar waren de kar- en paardendiensten die de boeren te verrichten hadden, ontzettend groot de leveringen die aan de troepen moesten gebeuren zonder te spreken over de ontzaglijk hoge belastingen die geïnd werden.
Door het gebruik van “assignaties” werd menige burger veroordeeld tot de bedelstaf. Niet enkel de diensten van de Republiek, maar ook de gewone soldaten, handelden willekeurig met deze niets beduidende briefjes en lieten er zich klinkende munt voor geven. Door het opleggen van een handelstarief, “le maximum” geheten, werd de handel dodelijk getroffen. Warenhuizen, winkels en markten werden gesloten. De handelaars verborgen hun waren uit vrees er waardeloze briefjes voor te krijgen. Maar de bezetters gebruikten geweld: geen handel mocht gestaakt worden en wie zijn winkel sloot werd gestraft als vijand van de Republiek.
../..
Daar bovenop voegde zich nog de goddeloze vervolging tegen priesters, kloosterlingen en godsdienstige instellingen. De kerken werden geplunderd en gesloten, de priesters vervolgd en verbannen. De kloosterlingen werden uit hun kloosters gejaagd en hun goederen werden verbeurd verklaard. Al deze wandaden maakten de verbittering bij de
inwoners alleen maar groter en de haat tegen de bezetter feller.
En zelfs dan waren de Republikeinen stout genoeg om de bevolking te overtuigen dat hun inzichten groots en menslievend waren. Zij legden de schuld bij de geestelijken en schaften de “tienden” af. Maar in datzelfde jaar 1795 eisten zij in MELDERT wel het 7de en 8ste stuk van de veestapel op voor de militaire slachterijen. Verder werden zware contributies opgelegd en moest graan en voeder worden geleverd, waardoor de bevolking door een algemene armoede en ellende werd geteisterd. Het sluiten van de grens met Holland joeg de prijzen van de koopwaren de hoogte in met prijzen die elke verbeelding tartten.
In het begin van 1796 werd de afgezette burgemeester van MELDERT vervangen door een door de Fransen benoemd bestuur. Er kwam een “agent de la Republique” en een “adjoint”. Teneinde de belastingen beter te kunnen innen werden er ook “ commissaires répartiteurs” aangeduid. In MELDERT bestond het eerste nieuwe Franse bestuur uit:
- Jef ENGELEN, agent de la Republique;
- Andries BUNKENS, adjoint
- Pieter SNIJDERS, Ernest VAN DE POEL, Michiel AERTS en Lodewijk VOLDERS waren “commissaire-répartiteur”.
De gemeente werd ook verplicht een lening van 1000 gulden toe te staan, maar nooit heeft ze daar één gulden van teruggezien.
Door een besluit van het “ Directoire excecutif” werd de wet op de politie van de erediensten ingesteld. Kort na het van kracht worden van deze wet werd het kruis van de toren van onze kerk gehaald; de kerk zelf werd gesloten en alle openbare erediensten werden opgeschort. De grote klok werd uit de toren gestolen om haar te smelten en er kanonnen van te maken. Pastoor Lodewijk, Godfried VAN MUYSEN, sinds 1782 in onze parochie aan het werk, weigerde de eed van trouw aan het regime af te leggen. Om aan de gevangenis te ontkomen, moest hij zich verbergen en vond voor lange tijd een veilige schuilplaats op het gehucht GEENEINDE. Gebruik makend van de duisternis, trok hij tijdens de nacht rond om zijn taken als priester na te komen en zijn herderlijke plichten te vervullen. Daar hoorde ook het mislezen in de boerderijen bij.
Op het einde van 1798 kwamen duizenden landgenoten in opstand en onder de kreet “ Voor outer en heerd “ ( vrij vertaald: voor God en Vaderland) wilden zij zich wreken op de Franse bezetters. Doch hun onderneming mislukte. Slecht georganiseerd, zonder degelijke wapens en zonder echte leiding waren zij niet opgewassen tegen de goed georganiseerde, getrainde en sterk gewapende troepen van de Franse dwingeland. Duizenden boeren zouden hun leven laten in de gevechten met de Fransen. De opstand, later gekend als de BOERENKRIJG, kende een bloedig einde nabij HASSELT.

MELDERT was ondertussen veranderd in een woestenij. Vele huizen waren geplunderd, vernield of afgebrand; de velden werden niet meer bewerkt en waren door onkruid overwoekerd. De gemeente zat tot over de oren in de schulden. In een beraadslaging van de gemeenteraad in 1803 wordt de totale schuld geraamd op 32.544, 95 francs, terwijl de eisbare som slechts 1.644, 15 francs bedroeg. De jaarlijkse intresten op deze schuld verslonden het grootste deel van de inkomsten en de gemeenteraad was verplicht de meest noodzakelijke werken uit te stellen. ../..
De gemeenteraad besloot dan over te gaan tot de openbare verkoop van de gemeentegronden, maar – ironie - deze verkoop werd pas goedgekeurd in 1839 (!) door het nieuwe Belgische bewind…

Volgens een telling, in 1806 uitgevoerd, telde MELDERT toen 525 inwoners in 90 huizen. Sedert 1748, dat is dus gedurende 60 jaar, waren slechts 15 huizen bijgebouwd, terwijl in de volgende 60 jaren liefst 56 huizen zullen gebouwd worden.

Krachtens het Concordaat met het Vaticaan in 1801 maakte NAPOLEON een einde aan de kerkvervolging. De kerken werden opnieuw geopend en het belijden van de katholieke godsdienst werd gewaarborgd.
We mogen echter aannemen dat de pastoor van MELDERT reeds vroeger zijn schuilplaats heeft verlaten. Want in 1798 wordt een nieuw torenuurwerk op de kerk geplaatst en het is weinig waarschijnlijk dat de inwoners van MELDERT een nieuw torenuurwerk zouden betalen om op een verlaten gebouw te zetten. Deze kolok, gemaakt door een zekere Matte uit DIEST kostte 300 francs. De pastoor van ZELEM had reeds in 1775 op deze som een voorschot van 120 gulden aan de gemeente geschonken.
De hatelijke bloedwet van NAPOLEON wekte de wrevel van vele inwoners op in het ganse land. In PAAL plunderde een woedende menigte het huis van “Commissaris” BOGAERTS en in MAASEIK werden alle handlangers van de dwingeland vermoord.
Meerdere jonge mannen uit MELDERT werden opgeroepen voor het leger en zagen hun familie en dorp nooit meer terug. Het waren o.a:
- Ferdinand SMETS, gevallen op 21 mei 1809 in de slag van ESSLING;
- Pieter-Marten PAULS, gewond bij de gevechten in WAGRAM en overleden in het hospitaal van WENEN op 8 november 1809;
- Pieter Frans LUTS, stierf aan koorts in het hospitaal van SALONIKI;
- Lodewijk VERBOT, stierf aan koorts in het ziekenhuis van HAMBURG., enz…

Het Franse schrikbewind in ons land eindigde met de val van NAPOLEON in 1814.

 

Na het definitieve einde van NAPOLEON in de slag van WATERLOO, werden de Belgische en Hollandse provincies samengevoegd in het Koninkrijk der Nederlanden. Koning WILLEM I , “de Koppige”, werd als koning erkend en besteeg de troon in 1815. Zijn troonsbestijging werd in MELDERT afgekondigd op 25 maart 1815.
In de jaren 1816 en 1817 heerste er weer hongersnood onder de Meldertse bevolking. Tengevolge van hagelslag en langdurige regens waren de oogsten grotendeels vernield.
De ijverzucht tussen Hollanders en Belgen en de discriminerende wetten die Koning WILLEM I de Belgen oplegde, deed het ongenoegen in onze provincies toenemen. Op 25 augustus 1830 barstte in BRUSSEL de opstand tegen de Hollanders los, die zich snel over het hele land verspreidde. Na hevige gevechten werden de Hollandse troepen verdreven naar het Noorden.
Deze omwenteling bracht ons zo lang verdrukte vaderland eindelijk zijn vrijheid en onafhankelijkheid. Een voorlopig bewind werd opgericht om de nieuwe staat BELGIE te besturen.

 

Op 30 december 1830 erkende de gemeenteraad van MELDERT het Voorlopig Bewind. In een plechtige tekst beloofde het gemeentebestuur, in de mate van zijn mogelijkheden, bij te dragen aan het vrij maken van België en aan het welzijn van de gemeente.