Tijdperk van de Romeinen en Franken

Zonder twijfel behoorde het grondgebied van MELDERT in de tijd van de Romeinse overheersing aan de volksstam van de AMBIVARITEN. Zij behoorden tot de volksgroep van de NERVIËRS en bewoonden het land tussen Demer, Maas en Schelde wat ongeveer overeenkomt met de huidige Kempen.
De Romeinse sieraden en gebruiksvoorwerpen, die tijdens opgravingen in Viversel, Donk, Beringen en nog andere plaatsen werden gevonden, getuigen genoegzaam dat ons grondgebied destijds door de Romeinen bewoond is geweest. En zelfs als de Romeinse legers niet tot hier zijn doorgedrongen, is MELDERT en omgeving bewoond geweest door volksstammen, die de Romeinse wetten, zeden en gebruiken hadden aangenomen zoals de TUNGRI en de TEXUANDRI. Overigens werden omstreeks 1850 langs de oude baan van Zelem naar Tessenderlo talrijke lijkvaten of urnen ontdekt, waarin zich verbrijzelde mensenbeenderen bevonden, die nog duidelijke sporen van verbranding vertoonden. Dit was de gewone manier van begraven bij de Romeinen. Na de verovering van onze streken door de Franken verdween dit gebruik.

In het begin van de 3de eeuw n.Chr. hadden zich enkele Frankische volksstammen neergezet aan de Ijzel. Van daar uit zakten zij allengs af naar het Zuiden en vestigden zich zelfs, nog onder het bewind van de Romeinse keizer Constantinus Chlovus, in TAXANDRIA. Naar de naam van hun afkomst, de Ijzel (in het Latijn Sala of Isala), werden zij SAAL-FRANKEN genoemd.
Veel geschiedschrijvers houden dit TAXANDRIA voor het gebied van de hedendaagse Kempen. Men zoekt daarvan o.a. een bewijs in de naam van het huidige Tessenderlo, wat betekent “ Taxandriae Locus”.
Als tegen het einde van de 4de eeuw n.Chr. de Romeinen onze gewesten verlieten, werd gans de streek ingenomen door de Saal-Franken. Zelem dat vroeger “Saelheim” werd geschreven betekent niets anders dan “ verblijf van de Saliërs”.
Na de dood van keizer KAREL de Grote in 814 (3) verviel het grote Frankische Rijk (4), dat in onze gewesten zijn oorsprong vond, in stukken en brokken. Het Rijk werd verdeeld onder zijn nakomelingen. Zij stonden gronden af aan de krijgsheren en edelen, als beloning voor hun diensten. Deze gronden kregen de naam “LENEN”. Deze machtige leenheren bouwden voor zich en hun familie burchten en kastelen; zij kregen steeds meer invloed en werden van landvoogden tot eigenaars. Hun adellijke titels met het bijhorende grondgebied lieten zij over aan hun nakomelingen. Deze werden uiteindelijk erfelijke bezitters van de lenen.
Zo verbrokkelde langzamerhand het grote rijk van de Franken in een reeks van kleine staten, waaruit o.a. het graafschap LOON en de HEERLIJKHEID MELDERT zijn ontstaan.