SCHANSEN EN VRIJPLAATSEN

Tijdens de oorlogen die de Spaanse koningen voerden tegen de hervormers of protestanten, had de plattelandsbevolking onvoorstelbaar te lijden onder de roof- en plunderzucht van de rondtrekkende soldaten. In de steden , waar goed georganiseerde burgerwachten fungeerden, hadden de uitbuiters minder vrij spel, maar op het platte land was de bevolking niet sterk genoeg georganiseerd om afdoende weerstand te bieden aan deze krijgsbenden. Maar om hun eigen lijf, hun hebben en houden te beschermen tegen de plunderaars , besloten zij zelf maatregelen te treffen voor hun eigen behoud.
Zo werden op het einde van de XVIde eeuw en vooral in de eerste helft van de XVIIde eeuw , nagenoeg in elk Kempisch dorp, ten noorden van de Demer, door de bevolking versterkte plaatsen opgeworpen. Zij kregen de naam van “ SCHANS “ en waren in de omgeving van MELDERT bijzonder talrijk. In Zelem waren er vier, in Paal zes en in Lummen zelfs acht van deze schansen. In MELDERT werden slechts twee schansen aangelegd. De inwoners van Blanklaar waren aangewezen op de schans van Kelbergen.

Het was in 1628 dat enkele Meldertenaren besloten om verdedigingswerken op te werpen om zich tegen de overvallen van de vreemde krijgslieden te beschermen. Zij vroegen om over een stuk land te kunnen beschikken om hun plan uit te voeren. Op het Rijksarchief in Hasselt berust een afschrift uit het schepenregister van die tijd. Het luidt:
“anno 1628 den 10 octobris is met consent der heeren afgepaelt, ten behoeve der gemeynten, om hunne schans genoeglyck op te bouwen, een stuck vroente ( = weide-LV) oft heyken, gelegen reg. Die v.s. gemeynte Noorden ende Westen, oosten die gemeynte straet, Suyden die Maalbeecke, ende afgepaelt met enen steen, onder conditie dat die gemeynten jaerlicx sullen betaelen vier penningen cheyns, vallende altijt des sondags post St Servati ……”
Het bleek dat deze “vroente” te klein was en te onregelmatig van vorm om er een versterkte plaats van te maken en zo verwierf men , op 16 oktober 1640, bij vonnis van de schepenbank een naastliggend en groter perceel.
Het staat evenwel vast dat de inwoners van MELDERT reeds voordien aan hun schans gewerkt hebben, want in een document uit 1633 is reeds sprake van “ eene loopplaetse naer die walle gaende “ - een weg die tussen de velden van Peter GIELIS en PAUWELS WEVERS liep.
Wie deze registers dieper uitpluist zal vaststellen dat de schans in MELDERT kort na de grondaankoop werd aangelegd, ongeveer terzelfdertijd met de schans van Kelbergen.

De eerste schans in MELDERT was gelegen aan het oostelijke uiteinde van het gehucht “Geenmeer”, langs de gemeentestraat. In 1934 waren de omheiningsgrachten nog niet opgevuld en kon men de plaats waar de schans gelegen had nog goed herkennen. ( ook nu zijn nog sporen van die grachten te herkennen – LV).

Waaruit bestond nu eigenlijk zo een versterkte plaats?
Het was een perceel grond met een regelmatige vorm en ongeveer 90 aren groot, omgeven door een diepe gracht en wallen gemaakt van aarde en hier en daar doorvlochten met palissaden en staken met houttakken, om het geheel nog steviger te maken. Er was slechts één enkele toegang, afgesloten met een stevige poort. Naast de poort stond het portiershuis. De gemeenschappelijke bakoven lag een beetje afgezonderd. Verder was de binnenvlakte verdeeld in kleine perceeltjes, “schansplaatsen” genoemd. De bezitter kon op zijn perceel een gebouw optrekken, dat hem in geval van vlucht, tot tijdelijke verblijfplaats kon dienen. Op de zoldering bracht men gedorste granen en andere voorwerpen, die men niet dagelijks nodig had, in veiligheid. Sommige inwoners, die niet met landbouw bezig waren, verbleven wel eens permanent in hun schanshuisje; zij waren er veilig en gerust.

Het aanleggen van een schans vraagt veel tijd en moeite, maar vergt niet de grootste kosten. Alle inwoners van MELDERT, overtuigt van het nut en de noodzakelijkheid van dergelijke beschutting, hadden de handen in elkaar geslagen en standregelen opgesteld om een schans te bouwen. Hij die een schansplaats wenste, moest zolang het werk duurde een bekwame werkman ter beschikking stellen. De weinig overblijvende schansplaatsen werden later verhuurd aan nieuwe leden, die daarvoor een prijs moesten betalen, overeenkomstig de kosten en de arbeid aan de schans. (In de registers is sprake van dertig gulden – LV) Niemand was evenwel verplicht lid te worden van de vereniging, maar zij die er wel deel van uitmaakten noemde men “ schansgesellen”.
Het onderhoud van de schans werd toevertrouwd aan twee “schansmeesters”, die jaarlijks in algemene vergadering door de gerechtigde huisvaders werden gekozen. De schansmeesters moesten zorgen dat de omheiningsgrachten steeds hun behoorlijke breedte en diepte behielden. Tijdens de winter moesten zij het ijs op de grachten breken, zo dikwijls dit nodig was. Zij moesten zorgen dat de poort gesloten was en dat alles in goede staat bewaard werd. Zij waren ook belast met de inning van de inkomsten en het betalen van de lasten en onderhoudskosten. Veel inkomsten waren er echter niet: er was de opbrengst van boetes, de verkoop van gras en houtgewas en de verpachting van de visserij. Op het einde van hun dienstjaar moesten zij op een algemene vergadering hun afrekening voorleggen aan de schepenen en de lastgevers.

Ieder gehucht had daarenboven zijn wijk- of rotmeester. Hij hield een wakend oog over de gezellen van zijn rot en hij moest hen waarschuwen als zij moesten vluchten naar de schans.
De schansgezellen stelden ook een kapitein, twee luitenanten en het nodige aantal sergeanten aan. Deze waren belast met het handhaven van de inwendige orde op de schans, de regeling van de wachten, de verzorging van de wapens en het leiden van de verdediging als de schans werd aangevallen. Desnoods boden de schansgezellen ook hulp aan naburige schansen wanneer die, door de overmacht van de legerbenden, dreigden overrompeld te worden.

Volgens de geschiedenisschrijvers was de zucht naar zelfbehoud en zelfverdediging al altijd aanwezig geweest bij de bewoners. En zeker zijn er reeds vele eeuwen terug forten en verschansingen gebouwd. Maar in onze streken was de aanleg van de vrijplaatsen of schansen ontstaan op het einde van de XVIde eeuw.
Dergelijke inrichtingen zouden nu, in deze moderne tijden, niet enkel nutteloos zijn, maar zelfs gevaarlijk. Stel je maar eens voor welke verwoesting één enkele explosieve granaat zou aanrichten bij een menigte, verzameld op een kleine ruimte.

Maar destijds was het zware geschut nog van ondergeschikt belang. Een gans leger bezat slechts een twaalftal kanonnen. Wat dan weer niet wil zeggen dat een schans een oninneembare vesting was voor een goed georganiseerd leger.
Maar de Meldertenaren hadden meer te vrezen van de tuchtloze bendes, die als achterhoede de eigenlijke strijdmacht volgden en soms even talrijk waren als het leger zelf. Deze zogenaamde krijgsknechten waren op de meest zonderlinge wijze samengesteld en leken meer op haveloze Bohemers dan op soldaten. Zij kregen geen soldij of voedsel en stalen en roofden waar zij de kans toe kregen. Daarbij waren zij van geen klein gerucht vervaard en gingen fysiek geweld niet uit de weg.
Het moet wel zijn dat de schans van Meldert voldoende bescherming bood aan zijn inwoners, want nergens hebben wij iets over een overval of gevecht te lezen gevonden. Overigens zou men elf jaren nadien niet een tweede schans hebben gebouwd, als deze nutteloos zouden geweest zijn.
Deze tweede schans was gelegen aan het einde van het gehucht “Schuilenbroek”, in de onmiddellijke nabijheid van de hoeve van Frans KIMPEN. Daar de omheiningsgrachten gedempt zijn is er vandaag nog slechts weinig van deze schans te vinden. Zij was groter dan de eerste schans, namelijk één hectare en vierenzeventig aren. Het perceel waarop zij aangelegd werd, werd geschonken door de heren van Meldert onder voorbehoud dat de omheiningsgrachten door hen mochten gebruikt worden voor het kweken van vissen. De “ generaliteit der schans” moest geen cijns betalen op voorwaarde dat de schansgezellen de grachten behoorlijk zuiver zouden houden en zorgen voor de veiligheid en de goede afloop van de visteelt.
Om ze van elkaar te onderscheiden werd de schans of vrijplaats van “Geenmeer” de “oude schans” genoemd en de schans in het “Schuilenbroek” werd “nieuwe schans” genoemd. In de oude oorkonden heet de nieuwe schans veelal “Lillaertse Schans” naar de naam Lillaer die plaatselijk gegeven werd aan het perceel waarop de schans was aangelegd. Een aantal gezinnen uit de nabijgelegen wijk “Geenhout” van PAAL hadden meegewerkt aan de aanleg van de schans en waren dus eveneens gerechtigd er een schuilplaats te zoeken.
Het ontbrak, in de toenmalige troebele tijden, de schansgezellen aan de nodige geldmiddelen om de schans behoorlijk af te werken en dus gingen zij bij de heer van Meldert, Richaldt van Voort, een lening aan van 200 gulden. Uit de akte van schuldbekentenis , opgesteld op 24 mei 1639 blijkt dat zij deze schuld moesten afbetalen met 20 stuivers per jaar vanaf 27 april 1640.
De schansgezellen namen het echter niet zo nauw met hun verplichtingen tegenover de heer van Meldert. In een aanklacht van Nicolaas van de Voort, heer van Meldert, heet het op 10 oktober 1684 dat de schansgezellen “ voorsiende de stlstand der wapenen, hebben laeten afbreken allen huysen op de selve schanse staende, die graeve verlanden, alsoo dat die visscherye sonder vrucht te niet is gebracht , verhopende dese erve te gebruycken sonder last ofte bekentenis aen den heer te doen naer hun eigen welgelieven ofte goedtduncken……..”
Verder dringt de heer van Meldert er op aan dat de schansgezellen de schade moeten vergoeden en de grachten naar “vorige gewoonte” te herstellen.

Op 10 januari 1770werd de nieuwe schans openbaar verkocht door meester Gerad AERTS , notaris in PAAL en toegewezen aan Wilbort OPHEYDE van MELDERT mits het betalen van 315 gulden. De generaliteit van de schans telde toen nog slechts acht gezellen, waaronder de heer Martin-Joseph ARRAZOLAd’ONATE, heer van Meldert.
In de verkoopakte liet de heer van Meldert duidelijk vermelden dat het water of de “graeve” niet verkocht mocht worden en dat hij ten allen tijde deze grachten zou mogen zuiveren en de aarde “ binnenwaerts uitschieten op de schans” Daarbij mochten de gezellen geen enkele hindernis plaatsen in of aan het water, er geen vuiligheid ingooien en beplanting op zes “voeten” van de oever moesten blijven.
Door een akte van 9 november 1816n verleden door notaris BAMPS uit LUMMEN, komt de gracht als nalatenschap toe aan de kinderen van Alexandrina-Francisca ARRAZOLA d’ONATE zoals blijkt uit de tekst “ la fosse à l’entour du fort de Meldert, taxé à cent dix-huit francs cinquante centimes”

De oude schans heeft het veel langer uitgehouden. Zij bestond nog op de vooravond van de Franse Omwenteling. Dit bblijkt uit een overeenkomst van 27 december 1788, gesloten voor notaris ENGELEN in LUMMEN, tussen de schansgezellen en een zeker heer Ernest VANDEPOEL. Hij was zo vrijpostig geweest om op de schanswal een kamer en een watersteen te timmeren. Om grote kosten te vermijden werd bepaald dat de schansgezellen het bouwwerk niet onmiddellijk lieten afbreken, maar dat hij het voorlopig kon gebruiken. De schansgezellen deden anderzijds geen afstand van hun recht om als dat nodig moest zijn, het gebouw alsnog te laten afbreken. In het contract werd ook uitdrukkelijk vermeld dat dit in geen geval aanleiding kon geven tot het bekomen van enig eigendomsrecht of vergoeding.

Na de Belgische onafhankelijkheid verloren schansen hun doel, zij kwamen in verval of werden gedeeltelijk gesloopt. Vandaag blijven nog enkele vage sporen over en de woning in de Geenmeerstraat Nr 1 herinnert nog aan de oude schans. Op haar gevel prijkt nog de naam “ De Schans”.