Het leenroerig tijdperk

De afstammelingen van SALEGHART, een van de vier opstellers van de Salische Wet, hebben ongetwijfeld geruime tijd in ZELEM gewoond. Volgens de historici Courtjoie en Dirickx droeg deze plaats reeds in 650 de titel “graafschap” Ook MELDERT maakte daar lange tijd deel van uit. Het is pas in 1365 dat ons dorp als aparte heerlijkheid werd aangeduid.
Het is ook waarschijnlijk dat MELDERT, omwille van deze scheiding, de pastoors van Zelem schadeloos moesten stellen. Hun werd 1/3 van de tienden toegekend; een recht dat zij tot aan de Franse revolutie bleven behouden.
Volgens een charter van 1146, opgesteld door Hendrik II, werd het grondgebied van MELDERT door gravin Oda, de vrouw van Otto, graaf van Duras, geschonken aan de abdij van Sint-Truiden.
In 1227 veroverden de graven van Loon het gebied rond MELDERT. Zij hadden dikwijls moeilijkheden met de abten van Sint-Truiden en hun legers rukten verschillende malen binnen in de bezittingen van de abdij.

Nota: Sint-Truiden en omstreken behoorde toe gedeeltelijk aan de bisschop van Metz en gedeeltelijk aan de abdij zelf. In 1227 schonk de Prins-Bisschop van Luik het land van Hastière aan de bisschop van Metz in ruil voor de andere helft van Sint-Truiden, waardoor de abdij het ganse gebied beheerde.

Door de versnippering van het Frankische Rijk werd het grondgebied van MELDERT, evenals enkele omliggende plaatsen, geschonken aan een of andere krijgsheer, als beloning voor zijn bewezen diensten. Deze heren baatten de zwakheid van de regerende vorsten uit om het bezit van hun leengoed te verzekeren door het erfelijk te maken. De heerlijkheid MELDERT werd door de edele leenheer van Kuringen weggegeven.
De adellijke families, die achtereenvolgens de heerlijkheid MELDERT in hun bezit hadden, bezaten uitgebreide rechten op de inwoners van MELDERT.
Deze bestonden hoofdzakelijk uit:

het recht van een “pondpenning” of overdracht op de vaste goederen en renten; dit recht bevatte de ban, het opgeld en de registratie

het recht van “grondcijns” of belasting op onroerende goederen

het recht tot aanstellen van de “justitie”; die bestond uit een officier (drossaard; zeven schepenen; een griffier en een gerechtsdienaar

het recht van “beplanting” op de gemeentevelden en heiden;

het recht van vrije “visvangst” op de Aelst of Zwarte Beek;

het recht op een “collatie “ van de pastorij.