Het Franse bewind

In de veldslag van JEMAPPES versloeg het Franse leger, onder bevel van generaal DUMOURIEZ, het Oostenrijks leger en kwam ons land in de macht van de Franse koningen. Maar de Oostenrijkers gaven zich niet gewonnen. Zij zochten hulp bij hun bondgenoten en versloegen het Franse leger op zijn beurt in het gevecht bij NEERWINDEN. Aartshertog KAREL I werd als landvoogd aangesteld en het Oostenrijkse gezag werd in het ganse land hersteld.
Ongelukkig genoeg duurde deze toestand niet lang. Want na de veldslag bij FLEURUS in 1794 vielen onze contreien opnieuw en nu voor goed onder het tirannieke bewind van de Franse Revolutie.
Het is ons genoeg bekend welke toestanden en onrust er toen in heel ons land heerste. En ook in MELDERT ging het niet beter dan elders. Ongehoorde lasten werden aan de inwoners opgelegd, alles wat draagbaar of vervoerbaar was werd geroofd of onder doodsbedreigingen afgeperst van de verbouwereerde bewoners. Negen jaar lang zou deze verschrikking duren en wat onze landgenoten in die tijd te lijden hadden, tart elke verbeelding..

De Republikeinen lieten ons land in een staat van volkomen bewindsloosheid, om het op deze manier beter onder de knoet te houden. De vroegere magistraten, drossaards, schansleden, schepenen en secretarissen werden afgezet en de aloude staatinrichtingen werden ontbonden. Het land werd ingedeeld in enkele grote departementen en 26 arrondissementen. MELDERT behoorde tot het 14de arrondissement, waarvan BERINGEN de “lieu central” was. Tot dit arrondissement behoorden de plaatsen (let op de verbastering door de Fransen!): BERINGHEN; EXELAER; LINGVEN; HEPPEN, MECHELEN; OOSTHAM, EENERT, CORPSEL, BEVERLOO, VERTHEN, BAEL, SCHOOT, HALS, GERHAGEN, TESSENDERLOO, MELBERGH, SCHONNEE, HENGHSBERGEN, HUFFELKEN, PAEL, SCHEULLEBROOK, HAL, NIJLSHOOCK, HEUSDEN, EVERSEL, VIERDEREEL, BOLDERBERG, LILO, DEVOORT, DEN HOEK, SOLDER, BIEST, VOGELSANG, LAECK, HOUTHAELEN, HOUVERHEIDE en MELDERT.

De inwoners van MELDERT sloeg de schrik om het hart als zij prinsen, graven, baronnen, bisschoppen, priesters, kloosterlingen en prelaten zagen vluchten. Zij gingen zich op hun beurt verschuilen in de bossen met al hun hebben en houden. Sommigen vluchtten nog verder weg om aan de roofzucht van de Republikeinen te ontsnappen. Helaas, niemand kon aan deze woestelingen ontsnappen.
Ontelbaar waren de kar- en paardendiensten die de boeren te verrichten hadden, ontzettend groot de leveringen die aan de troepen moesten gebeuren zonder te spreken over de ontzaglijk hoge belastingen die geïnd werden.
Door het gebruik van “assignaties” werd menige burger veroordeeld tot de bedelstaf. Niet enkel de diensten van de Republiek, maar ook de gewone soldaten, handelden willekeurig met deze niets beduidende briefjes en lieten er zich klinkende munt voor geven. Door het opleggen van een handelstarief, “le maximum” geheten, werd de handel dodelijk getroffen. Warenhuizen, winkels en markten werden gesloten. De handelaars verborgen hun waren uit vrees er waardeloze briefjes voor te krijgen. Maar de bezetters gebruikten geweld: geen handel mocht gestaakt worden en wie zijn winkel sloot werd gestraft als vijand van de Republiek.
../..
Daar bovenop voegde zich nog de goddeloze vervolging tegen priesters, kloosterlingen en godsdienstige instellingen. De kerken werden geplunderd en gesloten, de priesters vervolgd en verbannen. De kloosterlingen werden uit hun kloosters gejaagd en hun goederen werden verbeurd verklaard. Al deze wandaden maakten de verbittering bij de
inwoners alleen maar groter en de haat tegen de bezetter feller.
En zelfs dan waren de Republikeinen stout genoeg om de bevolking te overtuigen dat hun inzichten groots en menslievend waren. Zij legden de schuld bij de geestelijken en schaften de “tienden” af. Maar in datzelfde jaar 1795 eisten zij in MELDERT wel het 7de en 8ste stuk van de veestapel op voor de militaire slachterijen. Verder werden zware contributies opgelegd en moest graan en voeder worden geleverd, waardoor de bevolking door een algemene armoede en ellende werd geteisterd. Het sluiten van de grens met Holland joeg de prijzen van de koopwaren de hoogte in met prijzen die elke verbeelding tartten.
In het begin van 1796 werd de afgezette burgemeester van MELDERT vervangen door een door de Fransen benoemd bestuur. Er kwam een “agent de la Republique” en een “adjoint”. Teneinde de belastingen beter te kunnen innen werden er ook “ commissaires répartiteurs” aangeduid. In MELDERT bestond het eerste nieuwe Franse bestuur uit:
- Jef ENGELEN, agent de la Republique;
- Andries BUNKENS, adjoint
- Pieter SNIJDERS, Ernest VAN DE POEL, Michiel AERTS en Lodewijk VOLDERS waren “commissaire-répartiteur”.
De gemeente werd ook verplicht een lening van 1000 gulden toe te staan, maar nooit heeft ze daar één gulden van teruggezien.
Door een besluit van het “ Directoire excecutif” werd de wet op de politie van de erediensten ingesteld. Kort na het van kracht worden van deze wet werd het kruis van de toren van onze kerk gehaald; de kerk zelf werd gesloten en alle openbare erediensten werden opgeschort. De grote klok werd uit de toren gestolen om haar te smelten en er kanonnen van te maken. Pastoor Lodewijk, Godfried VAN MUYSEN, sinds 1782 in onze parochie aan het werk, weigerde de eed van trouw aan het regime af te leggen. Om aan de gevangenis te ontkomen, moest hij zich verbergen en vond voor lange tijd een veilige schuilplaats op het gehucht GEENEINDE. Gebruik makend van de duisternis, trok hij tijdens de nacht rond om zijn taken als priester na te komen en zijn herderlijke plichten te vervullen. Daar hoorde ook het mislezen in de boerderijen bij.
Op het einde van 1798 kwamen duizenden landgenoten in opstand en onder de kreet “ Voor outer en heerd “ ( vrij vertaald: voor God en Vaderland) wilden zij zich wreken op de Franse bezetters. Doch hun onderneming mislukte. Slecht georganiseerd, zonder degelijke wapens en zonder echte leiding waren zij niet opgewassen tegen de goed georganiseerde, getrainde en sterk gewapende troepen van de Franse dwingeland. Duizenden boeren zouden hun leven laten in de gevechten met de Fransen. De opstand, later gekend als de BOERENKRIJG, kende een bloedig einde nabij HASSELT.

MELDERT was ondertussen veranderd in een woestenij. Vele huizen waren geplunderd, vernield of afgebrand; de velden werden niet meer bewerkt en waren door onkruid overwoekerd. De gemeente zat tot over de oren in de schulden. In een beraadslaging van de gemeenteraad in 1803 wordt de totale schuld geraamd op 32.544, 95 francs, terwijl de eisbare som slechts 1.644, 15 francs bedroeg. De jaarlijkse intresten op deze schuld verslonden het grootste deel van de inkomsten en de gemeenteraad was verplicht de meest noodzakelijke werken uit te stellen. ../..
De gemeenteraad besloot dan over te gaan tot de openbare verkoop van de gemeentegronden, maar – ironie - deze verkoop werd pas goedgekeurd in 1839 (!) door het nieuwe Belgische bewind…

Volgens een telling, in 1806 uitgevoerd, telde MELDERT toen 525 inwoners in 90 huizen. Sedert 1748, dat is dus gedurende 60 jaar, waren slechts 15 huizen bijgebouwd, terwijl in de volgende 60 jaren liefst 56 huizen zullen gebouwd worden.

Krachtens het Concordaat met het Vaticaan in 1801 maakte NAPOLEON een einde aan de kerkvervolging. De kerken werden opnieuw geopend en het belijden van de katholieke godsdienst werd gewaarborgd.
We mogen echter aannemen dat de pastoor van MELDERT reeds vroeger zijn schuilplaats heeft verlaten. Want in 1798 wordt een nieuw torenuurwerk op de kerk geplaatst en het is weinig waarschijnlijk dat de inwoners van MELDERT een nieuw torenuurwerk zouden betalen om op een verlaten gebouw te zetten. Deze kolok, gemaakt door een zekere Matte uit DIEST kostte 300 francs. De pastoor van ZELEM had reeds in 1775 op deze som een voorschot van 120 gulden aan de gemeente geschonken.
De hatelijke bloedwet van NAPOLEON wekte de wrevel van vele inwoners op in het ganse land. In PAAL plunderde een woedende menigte het huis van “Commissaris” BOGAERTS en in MAASEIK werden alle handlangers van de dwingeland vermoord.
Meerdere jonge mannen uit MELDERT werden opgeroepen voor het leger en zagen hun familie en dorp nooit meer terug. Het waren o.a:
- Ferdinand SMETS, gevallen op 21 mei 1809 in de slag van ESSLING;
- Pieter-Marten PAULS, gewond bij de gevechten in WAGRAM en overleden in het hospitaal van WENEN op 8 november 1809;
- Pieter Frans LUTS, stierf aan koorts in het hospitaal van SALONIKI;
- Lodewijk VERBOT, stierf aan koorts in het ziekenhuis van HAMBURG., enz…

Het Franse schrikbewind in ons land eindigde met de val van NAPOLEON in 1814.